|
Castratie
Niet zo
risicoloos.
Vijfentwintig jaar
geleden nam ik een teefje op, dat ik op een morgen in mijn tuin vond. Het
hondje was van zeer onbestemde herkomst, zo’n beetje elk ras leek zijn
bijdrage geleverd te hebben aan het uiterlijk van dit hondje. Aangezien ik
ook een reu in huis had, wilde ik absoluut geen risico lopen, dat dit
teefje puppies zou krijgen. Naar de dierenarts en gevraagd dit teefje te
castreren. Die zag dat helemaal niet zitten en het heeft nogal wat
overredingskracht van mijn kant gekost om de man zo ver te krijgen. Hoe
anders zou het vandaag de dag zijn als ik weer bij de dierenarts kwam met
de vraag een teefje te castreren. Nu is het een operatie die vele
dierenartsen je al ongevraagd aanbieden. Over de operatie en de risico’s
ervan wordt niet gesproken, want men baseert zich op Amerikaanse
ervaringen. Aardig daarbij is te zien, dat de Amerikaanse ervaringen hier
zwaar mee worden gewogen, terwijl als het over het vaccineren gaat
veterinair Nederland, maar waarschijnlijk zo’n beetje heel veterinair
Europa, niet gehoord schijnt te hebben van de gewijzigde inzichten die
daarover in Amerika bestaan.

Uitgedaagd om met
wetenschappelijke bewijzen te komen, dat castratie niet zo alles
zaligmakend is, ben ik op internet gaan zoeken. Daar kom je meer tegen dan
je denkt, want heel veel is onderzocht, maar nadelen worden nogal
makkelijk terzijde geschoven. Het gemak waarmee dat gebeurt, heeft alles
te maken met een in Amerika kennelijk heel groot probleem: loslopende
honden die voor overlast zorgen, binnendringen in tuinen waar loopse teven
zitten, reuen die een loopse teef ontdekt hebben en de buurt met hun
gehuil uit de slaap houden en zeker belangrijk: Amerikaanse asiels hebben
een dusdanig overschot aan niet te plaatsen honden, dat er jaarlijks
miljoenen worden ge-euthanaseerd. De cijfers verschillen, ik heb 5 miljoen
gelezen, maar ook 11 en 19 miljoen. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat
in Amerika geldt, dat als je een verantwoordelijke hondeneigenaar bent, je
je hond laat castreren. Asiels schijnen bovendien ervaren te hebben, dat
als een hond niet gecastreerd naar een nieuwe eigenaar gaat, het vaak ook
niet meer gebeurt, zelfs niet als de eigenaar daartoe met de hond terug
kan komen bij het asiel om de ingreep alsnog gratis te laten plaatsvinden.
Derhalve zijn de asiels ertoe overgegaan om honden gecastreerd mee te
geven. Maar wat als het een puppy betreft? Ook maar castreren dus en zo is
de gewoonte ontstaan om puppies al met 8 weken en zelfs jonger te
castreren.
Business
Er speelt echter nog iets
anders in Amerika, namelijk het feit dat fokken business is, echt
business. Rashonden worden daar soms gehouden, zoals hier een stal
renpaarden. Een speciaal daartoe ingehuurde handler reist dan met de
honden in een grote trailer vol met honden van een bepaald ras en van één
eigenaar van show naar show. Gaan we hier in Europa met een medaille of
een blikken beker met een goudkleurtje naar huis, daar in Amerika is geld
te verdienen voor honden die winnen en wat te denken van de prijs van een
dekking (nou ja dekking, geen enkele Amerikaanse reu dekt zelf, het gaat
allemaal met kunstmatige inseminatie) van deze winnende honden.. Maar ook
mensen die op kleinere, meer verantwoorde, schaal bezig zijn, willen
natuurlijk graag die prijzen. Of zij brengen zelf hun honden voor op shows
en verdienen bij door ook voor anderen honden te showen, ofwel ook zij
huren een handler in die de honden uitbrengt op de tentoonstellingen. Deze
showcultuur houdt in, dat men de allerbeste honden inzet voor de show en
de mindere honden verkoopt als huishond. Op sommige rassites kan je een
prijslijstje, zoals het onderstaande vinden, dat ik van de site van een
Amerikaanse Cesky terriër fokker haalde:
Huishond
kwaliteit
Fokkwaliteit
Showkwaliteit
Reu
$ 500
$ 800
$ 1.000
Teef
$ 500 – 800
$ 800 – 1.000
$ 1.000 tot 1.500
Dat er fokkwaliteit wordt
verkocht, dat wil zeggen honden die voldoen aan de rasstandaard, maar niet
dusdanig van kwaliteit zijn, dat ze het op de show zullen maken, heeft,
denk ik, alles te maken met
het feit, dat het ras nog niet erkend is in Amerika. Om een ras erkend te
krijgen moeten er minimaal een bepaald aantal pups van geboren zijn.
Binnen de Cesky terriërclub heeft men er dus belang bij nog wat mensen
aan fokmateriaal te helpen. Dat zal voor reeds erkende rassen minder
opgaan, dus zal een pup sneller tot huishond worden verklaard. En daar zit
hem nu de kneep: koste wat kost moet voorkomen worden dat met die
huishonden wordt gefokt. Dus Amerikaanse fokkers verkopen hun pups die als
huishond worden geplaatst, gecastreerd. Heb in dit verband zelfs een
oproep aan fokkers gelezen, die vrij vertaald op het volgende neerkwam:
Fokker, u laat uw pups die als huishond naar een nieuwe eigenaar gaan toch
castreren, want u wilt toch niet het risico lopen, dat ermee gefokt wordt
en uw kennelnaam te grabbel wordt gegooid.
Na dit uitgebreide ingaan
op de cultuur waarin we de Amerikaanse castratiepraktijken moeten
plaatsen, over naar het wetenschappelijk onderzoek, dat is uitgevoerd naar
de gevolgen van deze ingreep.
Onderzoek naar de
gevolgen van castratie en ook naar die van castratie op zeer jonge
leeftijd zijn wel degelijk gedaan, maar zoals gezegd, de bezwaren worden
nogal makkelijk weggewuifd. De cijfermatige uitkomsten worden nogal
makkelijk gemanipuleerd. Bijvoorbeeld: wat zegt het mij, dat mammatumoren,
die overigens echt niet allemaal kwaadaardig zijn, 200 keer vaker
voorkomen in niet-gecastreerde dan in wel gecastreerde teven als er niet
bij wordt vermeld op welk aantal we dan uitkomen. Krijgt normaal gesproken
één teef op 1000 mammatumoren of 1 op 100 of 1 op 10? In een ander
onderzoek lees je dan weer, dat iets in 13% van de gevallen na castratie
op jonge leeftijd voorkomt. Dat percentage is dan wel lager dan het
percentage bij castratie op latere leeftijd, maar 13% betekent altijd nog
13 van de 100 teven! Ter onderbouwing van het feit, dat castratie niet zo
ongecompliceerd is als wordt beweerd, heb ik een achttal artikelen
opgevraagd, waarin verslag wordt gedaan van onderzoeken en de gevonden
nadelen van castratie. Had er nog veel meer op kunnen vragen, maar voor
mij hield het echt op bij 80 Canadese dollar (ca. 60 €) voor die 8
artikelen. Voor een aantal onderzoeken kan ik dus alleen weergeven wat in
de uittreksels stond. Helaas bleken er van die 8 slechts 7 leverbaar. Ook
zij aangetekend, dat de uitkomsten van de onderzoeken niet altijd voor
reuen en teven gescheiden werden weergegeven. Voorts gebruikt men in
Amerika verschillende termen: gonadectomy (= weghalen van de
geslachtsklieren), ovariohysterectomy (verwijderen van baarmoeder en
eierstokken), neutering (=wordt gebruikt voor castratie bij reuen, maar ik
heb het ook in relatie tot teven zien gebruiken), spaying (wordt gebruikt
als het om castratie van teven gaat). Voor de helderheid van dit verhaal
heb ik ervoor gekozen alleen castratie te gebruiken.
.
Incontinentie
Laten we maar beginnen
met incontinentie door castratie. (Association
in bitches between breed, size, neutering and docking, and acquired
urinary incontinence due to incompetence of the urethral sphincter
mechanism door P.E Holt en M.V. Thrusfiled, Veterinary Record (1993), 133,
177-180). Het onderzoek heeft zich gericht op incontinentie
veroorzaakt door het niet meer goed werken van de sluitspier, die
behandelbaar was met hormonen. Het onderzoek werd verricht in Engeland en
vertegenwoordigt qua rassen de gemiddelde raspopulatie in Engeland. Lees
je de uitkomsten, dan valt het aantal teven dat incontinentie kreeg best
mee. Echter, de onderzoekers komen toch tot de conclusie, dat grote en
reuzen rassen meer gevoelig zijn voor het ontwikkelen van incontinentie,
dan middel grote en kleine rassen. Bovendien vonden de onderzoekers een
relatie tussen het couperen van de staart in combinatie met castreren en
het ontwikkelen van incontinentie. Toch willen de onderzoekers niet zonder
meer stellen, dat couperen en het ontwikkelen van incontinentie een
relatie met elkaar hebben, omdat de ontwikkeling van de incontinentie in
de aanleg van het ras, waarvan couperen van de staart gebruikelijk is,
aanwezig kan zijn. De rassen bij wie een verhoogd risico op incontinentie
werd gevonden zijn: Dobermann, Bobtail, Springer Spaniel, Weimaraner,
langharige Collies, Ierse setter, maar andere onderzoeken noemen ook de
Boxer (65%) en de Bouvier. Rassen die weer zo goed als ongevoelig lijken
te zijn voor het ontwikkelen van incontinentie na castratie zijn onder
meer de Duitse herder en de Labrador. Daarbij moeten we in ogenschouw
nemen, dat er meer dan 400 hondenrassen zijn en het dus onmogelijk is, dat
al deze rassen zijn onderzocht. Of je hond dus incontinent wordt na
castratie blijft gokken, maar wie op internet de plaatjes ziet van een
incontinente teef zal niet licht geneigd zijn, zijn hond aan dat risico
bloot te stellen. De eerlijkheid gebiedt dan weer te zeggen, dat deze vorm
van incontinentie met hormoontoediening meestal succesvol bestreden kan
worden. Maar is er al onderzoek gedaan naar de invloed van die hormonen op
de lange termijn?
Schildklier
Over problemen met de
schildklier las ik Hypothyroidism in dogs: 66 cases (1987 – 1992) door
David L. Panciera, DVM, MS. Zij komen tot de conclusie dat gecastreerde
teven en reuen een relatief verhoogd risico hebben op
schildklierproblemen. Extra gevoelig hiervoor bleken de Dobermann Pincher
en de Golden Retriever en rasloze honden. Schildklierproblemen geven
overgewicht, sloomheid, kaalheid. De genoemde abnormaliteiten in de
voortplanting kunnen we in het kader van dit verhaal buiten beschouwing
laten. Volgens de onderzoekers zijn er ook, minder vaak gerapporteerde,
problemen met het zenuwsysteem, het hart/vaatstelsel, het maag/darmsysteem
en andere organen. Echter met deze laatste problemen moeten we voorzichtig
zijn, omdat de diagnose dat de schildklier de oorzaak ervan was, niet op
basis van het T4-onderzoek werd gedaan. Het onderzoek omvatte 132 honden,
waarvan er 66 overbleven die aan de door de onderzoekers gestelde criteria
voldeden. Daarvan waren 18 gecastreerde reuen en 30 gecastreerde teven.
Zelfs na correctie voor leeftijd, bleek het risico van
schildklierproblemen bij gecastreerde reuen en teven duidelijk hoger. De
symptomen die werden gevonden als gevolg van de schildklierproblemen waren
huidproblemen bij 39 honden, éénendertig honden hadden last van
overgewicht, zij het vaak in milde vorm. Sloomheid werd geconstateerd bij
13 honden. Te lage hartslag werd gevonden in 32 honden (9 met een hartslag
lager dan 70 slagen per minuut en 23 met een hartslag van minder dan 80
slagen per minuut). Verder vonden de onderzoekers een grote variëteit van
problemen waarvan niet zeker is, dat ze met schildklierproblemen te maken
hebben en sommige van de verschijnselen bleken uiteindelijk aan iets
anders toe te schrijven. De onderzoekers sluiten echter niet uit dat een
aantal van de gevonden problemen toch aan de schildklierproblemen zijn toe
te schrijven, gezien het feit dat bij behandeling van de schildklier met
medicijnen ook de andere klachten vaak afnamen. Drieënzestig honden
werden behandeld met medicijnen voor de problemen, waarvan er 34 op de
behandeling reageerden, waarvan 26 goed. Waarom gecastreerde teven een
hoger risico hebben op schildklierproblemen is niet duidelijk. Alleen bij
ratten is eenzelfde effect gevonden. De onderzoekers komen ook tot de
conclusie dat veel honden bij wie schildklierproblemen werden
geconstateerd in eerste instantie voor andere klachten werden behandeld.
Dat kan dus betekenen dat in de praktijk erg veel honden worden behandeld
voor een kwaal die zich manifesteert, maar de achterliggende oorzaak,
namelijk de schildklier, onontdekt en onbehandeld blijft.
Effect op het skelet
Katherine
R. Salmeri, DVM, Mark S. Bllomberg, DVM, MS, Sherry L. Scruggs, BS, Victor
Shille, DVM, PhD publiceerden “Gonadectomy in immature dogs: Effects on
skeletal, physical, and behavioural development’. Het onderzoek
liep 15 maanden, in mijn ogen erg kort om de lange termijneffecten te
kunnen traceren van een castratie op jonge leeftijd. Het onderzoek werd
alleen verricht bij niet-rashonden en wel als volgt: 32 puppies uit 5
nesten werden opgedeeld in 3 groepen. Groep 1 werd met 7 weken
gecastreerd, Groep 2 met 7 maanden en Groep III werd in takt gelaten. Bij
zowel groep 1 als groep 2 sloten de groeischijven later dan bij groep 3.
De snelheid van de groei werd door de ingreep niet beïnvloed, maar de
tijd dat de gecastreerde honden groeiden was langer en resulteerde in
langere beenderen en een hond die groter was dan zijn niet geholpen
leeftijdsgenoten. Een bezwaar overigens waarover in een Amerikaans
pleidooi voor vroege castratie erg luchtig werd gedaan: “U showt uw hond
toch niet, dus wat doet het er toe als uw hond een paar centimeter groter
is dan de rasstandaard.’ Nu ligt dat in Nederland en ik veronderstel ook
in andere Europese landen een beetje anders. Verstandige fokkers verkopen
elke hond als huishond, omdat het voorspellen van de showkwaliteit van een
hond niet alleen erg moeilijk is, maar een showhond moet ook worden
opgeleid. Doet de eigenaar dat laatste niet, dan zal de hond, hoe mooi
ook, niet hoog scoren op hondententoonstellingen. Soms ook willen
eigenaren niet showen met de hond, maar worden er door iemand toe
overgehaald en zo komt iemand alsnog in het showcircuit. Het is dan niet
alleen vervelend als je hond is gecastreerd, want dan mag hij niet worden
uitgebracht, hetgeen dan bij de eigenaar tot teleurstelling achteraf
leidt. Teven die gecastreerd zijn mogen evenmin worden geshowd, maar dat
is aan de buitenkant niet te zien, dus er worden wel degelijk gecastreerde
teven uitgebracht op shows. Toch vervelend als je teef dan een paar
centimeter boven de in de rasstandaard toegestane maat blijkt te zitten.
Wederom voor Amerika niet zo’n probleem, want daar zijn speciale klassen
voor gecastreerde honden. Dit onderzoek heeft zich niet gericht op wat de
gevolgen van het ontbreken van sekshormonen zijn op de botten. Dat er
structuurverandering in het bot (onder andere meer kraakbeencellen in de
groeischijf zone) plaatsvindt, is wel duidelijk, maar wat dat tot gevolg
heeft, is niet onderzocht, dan wel bekend. Het vermoeden bestaat echter,
dat het deze honden vatbaarder maakt voor bepaalde botbreuken. Daarnaast
wordt aangegeven dat door het tekort aan sekshormonen, meer specifiek
oestrogeen, wel degelijk osteoporose kan optreden.
Het onderzoek onderzocht
eveneens of de gecastreerde honden dikker werden, maar vond daarvoor niet
echt bewijzen, maar het sluit het ontwikkelen van meer onderhuidsvet niet
uit, omdat studies met ratten deze uitkomst na castratie wel gaven.
Met betrekking tot het
karakter wordt geconstateerd, dat de gecastreerde honden actiever waren en
dat de als pup reeds gecastreerde honden meer opgewonden waren. Het zijn
juist deze karakterveranderingen die Duitse trainers van werkhonden zeer
huiverig hebben gemaakt van vroege castratie, omdat het trainen veel
moeilijker gaat en in sommige gevallen zelfs onmogelijk blijkt. In één
nest ontwikkelden 4 van de 7 puppies zware gedragsproblemen onafhankelijk
van het wel of niet gecastreerd zijn, hetgeen erop kan wijzen dat het hier
om een erfelijk probleem ging. Drie wel geholpen puppies uit dit nest
werden geplaatst, maar liepen binnen 4 weken weg. De oorzaak daarvan is
niet bekend.
Het meest duidelijke
resultaat van het reeds castreren van puppies was het niet tot
ontwikkeling komen van de penis en de vulva. Die bleven in een infantiel
stadium, maar gaven in de onderzochte groep geen problemen. Waarbij ik dan
de vraag stel: kwam dat soms, omdat de hondjes extra aandacht en
verzorging kregen, zodat er geen ontstekingen rondom de vulva ontstonden?
De eindconclusie van de
onderzoekers is, dat er veel meer en langduriger onderzoek nodig is om
meer te weten te komen over de gevolgen van het castreren van puppies.
Zwervend
baarmoederweefsel
Melissa
S. Wallace, DVM is de auteur van ‘The Ovarian Remnant Syndrome in the
Bitch and Queen’. Zij constateert, dat het zowel in honden, als
in katten, voorkomt, dat er nog een cyclus optreedt, alhoewel castratie
heeft plaats gehad. Deze cyclus gaat gepaard met bloedingen, zwelling van
de vulva, attractief voor reuen, het doen van meer plasjes en het staan
voor de reu. Sommige van deze teven laten zich zelfs dekken. De oorzaak
van deze verschijnselen is, dat er eierstokweefsel aanwezig is op andere
plaatsen dan normaal gesproken te verwachten zou zijn. Ook kan de oorzaak
zijn gelegen in het feit, dat net niet al het eierstokweefsel is
weggenomen. Eierstokweefsel op andere plaatsen kan ontstaan, omdat er
tijdens de operatie een stukje eierstok wordt gemorst, dat zich dan op een
andere plaats in het lichaam weer ontwikkelt. Wel constateert de
onderzoekster, dat het fenomeen zich vaker voordoet in katten dan in
honden. Maar treedt dit verschijnsel op in een gecastreerde teef, dan is
een nieuwe operatie nodig om het weefsel dat het probleem veroorzaakt weg
te nemen. Vooraf moet dan wel vastgesteld worden of er inderdaad
eierstokweefsel aanwezig is. Een andere mogelijkheid is een behandeling
met hormonen, maar die kunnen weer vervelende bijwerking geven.
Nogmaals gevolgen van
vroege castratie
‘Long-term
outcome of gonadectomy performed at an early age or traditional age in
dogs’ is de titel waaronder Lisa M. Howe, DVM, PhD, DACVS, Margaret R.
Slater, DVM, PhD, Harry W. Boothe, DVM, MS, DACVS, H. Phil Hobson, DVM<
MS< DACVS, Jennifer L. Holcolm, BS and Angela C. Spann, BS hun
onderzoek publiceerden. Het onderzoek werd verricht in 2
verschillende asiels, waarbij geldt, dat een normale castratie leeftijd in
dit onderzoek circa 24 weken en ouder is en een vroege castratie onder de
24 weken wordt verricht. Tussen 41 en 64 maanden na de castratie werden de
eigenaren van de honden opgebeld en hen werd een gestandaardiseerde
vragenlijst voorgelegd. Uiteindelijk kwam informatie beschikbaar over 269
honden, dat wil zeggen over 42% van de honden die een castratie hadden
ondergaan. Alle honden werden, voor zo ver mogelijk, 48 maanden na de
operatie gevolgd. De onderzoekers vonden het volgende: 5% kreeg parvo, 4%
kreeg infectieziekten aan de luchtwegen. De vroeg gecastreerde honden
kregen echter meer infectieziekten dan de later gecastreerde honden,
waarbij het dan om parvo ging. De meest gerapporteerde problemen waren
gedragsproblemen, waarbij ook weer de jong gecastreerde honden hoger
scoorden dan, de later gecastreerden, respectievelijk 38% en 32%. Het
hoogst bij de gedragsproblemen scoorden agressie en vernielzucht. Verder
werden genoemd: onderdanigsheidsplasjes, zindelijkheidsproblemen. Voorts
nog een variëteit aan problemen, zoals erg veel blaffen, graven,
scheidingsangst, springen en niet met andere dieren overweg kunnen.Bij al
de laatst genoemde problemen, konden de onderzoekers geen onderscheid in
vroege en late castratie ontdekken. Bij 30% van de honden werden
huidproblemen gerapporteerd, waarbij huidallergieën en dermatitis het
meest voorkwamen. Verschil tussen de vroeg en laat gecastreerde honden
werd niet gevonden. Spier- en skeletproblemen vertoonde 8% van de honden,
waaronder lichte heupdysplasie, verlamming, en allerlei andere niet nader
genoemde problemen. Ook hier geen onderscheid geconstateerd in vroege of
late castratie. Maagdarmproblemen kwam voor in 5% van de honden, waarbij
de vroeg gecastreerde meer problemen hadden. Incontinentie werd maar in 2%
van de betrokken honden gevonden. Neurologische en hartproblemen werd maar
in een paar procent van de honden aangetroffen.Volgens de onderzoekers
zijn de meeste van de gerapporteerde huid-, spier- en skeletproblemen,
heupdysplasie etc. niet anders dan wat een dierenarts in zijn normale
praktijk van alle dag ziet.
Dementie
Negenentwintig
ongecastreerde reuen, 63 gecastreerde teven en 47 gecastreerde reuen in de
leeftijd van 11 tot 14 jaar werden in het kader van het ontwikkelen van
dementie onderzocht door Benjamin L. Hart, DBM, PhD, DACVB. Hij
rapporteert over zijn onderzoek in “Effect of gonadectomy on subsequent
development of age-related cognitive impairment.’ Gedragsproblemen
bij oudere honden die met dementie te maken hebben worden door Hart
onderverdeeld in 4 categorieën: problemen met deoriëntatie in huis en in
de tuin, verandering in de sociale interactie met de menselijke
huisgenoten, onzindelijkheid en veranderingen in de slaap/waak cyclus. De
onderzoeker heeft niet onderzocht of gecastreerde honden ook eerder dement
werden, omdat daarvoor een enorm aantal honden nodig geweest zou zijn.
Daarom werd onderzocht of er een duidelijk verschil was in de ontwikkeling
van lichte dementie naar zware dementie in een periode van 6 tot 18
maanden. Van het onderzoek werden honden uitgesloten die ziekten hadden
die ook tot dementie-verschijnselen konden leiden. Middels interviews met
de eigenaren door gedragsdeskundigen werden de eigenaren van de honden
twee keer ondervraagd. Bij het tweede interview waren van de 29 complete
reuen nog 20 in leven, van de gecastreerde reuen waren er nog 29 van de 47
in leven en van de gecastreerde teven nog nog 34 van de 63. De gemiddelde
leeftijd waarop de teven waren gecastreerd was 2,8 jaar en bij de reuen
was dat 4,8 jaar. Bij het eerste interview vertoonden 41 van de
gecastreerde teven geen tekenen van dementie, 4 vertoonden tekenen in 1
categorie, en 18 in 2 categorieën. Bij de gecastreerde reuen hadden 32
geen tekenen van dementie, 9 in 1 categorie en 6 in 2 categorieën.
Negentien van de 29 in takte reuen had geen dementie, 6 in 1 categorie en
4 in 2 categorieën.
Bij het tweede interview
had tussen 27 tot 41% van alle honden dementie in 1 categorie en circa 10%
in 2 categorieën.
De gecastreerde teven
vertoonden het volgende beeld bij het 2e interview: 9 van de 18
teven die bij het 1e interview dementie had in 1 categorie, had
nu dementie in 2 categorieën. Van de 9 de gecastreerde reuen met dementie
in 1 categorie, hadden er 4 dementie in 2 categorieën bij het 2e
interview. Bij het 2e interview had geen enkele intakte reu die
bij het 1e interview dementie in 1 categorie had, het nu in 2
categorieën. De gecastreerde reuen en teven die van dementie in 1
categorie naar dementie in 2 categorieën waren gegaan bij het 2e
interview waren qua percentage ongeveer gelijk. Deze percentages waren
duidelijk hoger dan die van de intakte reuen. Verschillen die niet te
verklaren zijn uit verschil in leeftijd of de tijd die tussen het eerste
en tweede interview heeft gezeten.
Gedragsverandering
Het kostte wat zoeken,
maar uiteindelijk kon ik van de Universitätsbibliothek München het
laatste exemplaar krijgen van het promotie-onderzoek van Eva Heidenberger
“Untersuchungen zu Verhaltensänderungen von Rüden und Hündinnen nach
Kastration”(1989). Dit werkje vangt aan met een uitgebreide samenvatting
van alle geraadpleegde literatuur met betrekking tot voeding, gedrag en
castratie en de gevolgen daarvan. In de door Heidenberger geraadpleegde
literatuur over castratie en de gevolgen daarvan blijkt duidelijk, dat
meerdere onderzoekers vonden, dat gecastreerde honden incontinentie
ontwikkelden, gewichtstoename plaatsvond, huid- en haar veranderden, dat
vaker suikerziekte werd ontwikkeld, dat er nog loopsheden waren indien er
eierstokweefsel op andere plaatsen in het lichaam was, dat er luiheid en
verlaagde activiteit optreedt, dat er minder wordt gepresteerd door de
hond en dat gecastreerde teven vaak agressief zijn.
Het onderzoek van
Heidenberger is gebaseerd op een vragenlijst die aan hondenbezitters
werden voorgelegd. Al deze honden, 209 reuen en 382 teven, waren
gecastreerd. In het onderzoek waren 83 verschillende rassen en een
behoorlijk aantal kruisingen betrokken. Aangezien het hier een onderzoek
naar veranderd gedrag na castratie betrof, is Heidenberger zeer diep
gegaan. Zo heeft zij verbanden gezocht tussen leeftijd waarop de hond bij
de baas kwam en de gedragsverandering na castratie, tussen herkomst van de
hond: direct van de fokker, uit een asiel of één of meer eerdere
eigenaren. Zij bekeek tevens de gezinssamenstelling van de eigenaren, de
manier waarop er met honden werd omgegaan, of er meer dan één hond in
het gezin was, hoe lang de hond per dag alleen was. Uit de
onderzoeksresultaten blijken dan toch verschillen in de uitkomst van de
gedragsverandering na castratie en die uitkomsten zijn soms erg
verrassend. Zo worden bijvoorbeeld honden die in een kennel worden
gehouden na castratie minder agressief, maar angstgedrag en nerveusiteit
nemen toe. Teven die een tuin ter beschikking hebben worden na castratie
trager. Gedragsveranderingen na castratie zijn duidelijker als de hond de
hele dag of minimaal 9 uur per dag in de nabijheid van de baas is. Maar
dat geldt dan ook voor meer eten en dikker worden. Teven die dagelijks 7
uur of meer alleen zijn worden minder agressief en traag als teven die
slechts korte tijd per dag alleen zijn. Maar blaffen en keffen neemt bij
die groep weer toe. Aangezien de hele dissertatie bijna 200 pagina’s A-5
is, voert het te ver om alles hier te noemen, want werkelijk alles wat er
te bedenken valt wat invloed op het gedrag kan hebben, is wel onderzocht.
Daarom nu naar de duidelijkste uitkomsten: meer eten bij 20% van de
reuen en 18% van de teven en heel duidelijk meer eten bij 22% van de reuen
en 14% van de teven. Gewichtstoename bij 44% van de reuen en 34% van de
teven. 36% van de reuen neemt meer rustijd en 18% van de teven, 22% van de
reuen heeft minder behoefte aan beweging, bij de teven is dat 13%.
Gedragsproblemen verminderden bij 41% van de reuen en bij 33% van de
teven, bij 33% van de reuen en bij 25% van de teven verdwenen ze geheel.
Negenenveertig van 80 agressieve reuen en 25 van 47 teven werden na
castratie minder vriendelijker. Tien teven werden echter na castratie
agressief. Heidenberger benadrukt nog eens, dat heel veel factoren het
resultaat van een castratie uiteindelijk beïnvloeden: goede
gehoorzaamheidstraining, familieomstandigheden van de bezitter, de factor
tijd, de wijze waarop de hond wordt gehouden, contacten met soortgenoten
en de herkomst van de gecastreerde honden.
Een gegeven dat we uit
dit onderzoek zeker niet over het hoofd mogen zien, is de aangegeven
toename van ziektes. Van de ondervraagde hondenbezitters geeft 15,9% aan
(reu of teef is hierbij geen verschil), dat de hond behoorlijk ziek is.
Echter, bij de reuen die om medische redenen werden gecastreerd en daarna
ziek zijn, is het aantal opvallend hoog. Bij de teven is het aantal dieren
dat ziek is na castratie als ze daarvoor al voor een ziekte werden
behandeld zeer duidelijk verhoogd. Meest gevonden ziekten zijn, naast
incontinentie, ziekten aan het spijsverteringsstelsel en het
bewgingsapparaat. Teven kregen in 4,7% van de gevallen ziekten aan de
nieren en de urinewegen. Reuen kregen vaker ziekten aan het
spijsverteringsstelsel en aan hart, bloedsomloop en zenuwstelsel.
Tot slot de onderzoeken,
waarvan ik alleen een uittreksel beschikbaar het:
The
relationship of urinary incontinence to early spaying bitches (Stocklin-Gautschi
NM, Hassig M, Reichler IM, Hubler M, Arnold S):
Teven gecastreerd voor
hun eerste loopsheid: op de leeftijd van 6,5 jaar had 9,7% van 206 teven,
allen gecastreerd op een gemiddelde leeftijd van 7,1 maand, incontinentie,
12,5% van de teven met een gewicht van meer dan 20 kg had last van
incontinentie, 5,1% van teven met een gewicht onder 20 kg had
incontinentie. Alleen het weghalen van de eierstokken of het wegnemen van
eierstokken en baarmoeder had geen invloed op de cijfers. Gemiddeld trad
de incontinentie 2 jaar en 10 maanden na castratie op. Vergeleken met late
castratie zijn de clinische tekenen van incontinentie duidelijker na
vroege castratie.
Urinary
incontinence in castrated bitches. Part 1: Significance, clinical aspects
and etipathogenesis, (Arnold S)
Incontinentie treedt op
in 20% van de gecastreerde honden. Er is duidelijk verband tussen gewicht
en het risico op incontinentie. Teven boven 20 kg hebben een risico van
30%, teven met een lager gewicht van 10%. Vooral bepaalde rassen zijn
extra gevoelig, bij boxers ontwikkelt zich bij 65% incontinentie. Andere
rassen die worden genoemd zijn Dobermans en Riezen Schnauzers.
Early
spay-neuter: clinical considerations (Kustritz MV)
Gesteld wordt, dat
puppies een verlengde reactie op relatief lage doses narcosemiddelen
kunnen hebben. Puppies mogen voor een operatie niet langer dan 3 tot 4 uur
vasten, gezien het risico van te lage bloedsuiker spiegel. Opgepast moet
worden voor onder-temperatuur en hartslag en ademhaling moeten zorgvuldig
in de gaten worden gehouden gedurende de hele operatie.
Aanvullende informatie
over risico’s van vroege castratie bij Dalmatiner reuen vond ik op: http://bcf.usc.edu/~thaae/DOT/earlyneuter.htm.
Dalmatiërs schijnen nogal eens blaasstenen te ontwikkelen. Doordat de
penis zich bij vroege castratie niet tot een volwassen maat ontwikkelt, is
er een verhoogd risico dat een losgekomen steen blijft zitten. De urine
die daardoor niet weg kan, leidt binnen enkele dagen tot de dood.
http://www.frenchbulldogclub.org/Health
Genetics/EarlySpayNeuter.hmtl waarschuwt voor het gevaar
van intuberen bij Franse Bulldog puppies, omdat deze hondjes zeer smalle
luchtwegen hebben en het weefsel van die luchtwegen erg teer is en
gemakkelijk kan beschadigen.
Afrondend
Wie gaat zoeken op het
internet vindt enorm veel pleidooien voor castratie en liefst op zo jong
mogelijke leeftijd. Vooral uit Amerikaanse hoek in verband met, zoals
eerder gezegd, de enorme problemen die de asiels daar hebben met een
overschot aan honden. Daarom vindt men bij hen ook statements als: Uw hond
krijgt nooit mammatumoren, uw hond is 2x per jaar 3 weken loops (wordt
niet bij vermeld dat de feitelijke vruchtbare periode veel korter is) daar
bent u ook vanaf, u heeft als fokker de plicht te voorkomen dat er met
huishonden wordt gefokt. Wetenschappelijk onderzoek is moeilijker te
vinden, maar zoals hierboven aangetoond is het er. Echter, de aantallen
honden betrokken bij de onderzoeken, de onderzochte rassen, het is
natuurlijk allemaal veel te weinig om echt harde conclusies te trekken,
ook de meeste onderzoekers geven dat zelf toe. Je hond wel of niet laten
castreren blijft dus een eigen afweging. De handvaten voor die afweging
zijn te vinden in wat hiervoor beschreven is. Want wat als boxers voor 65%
incontinentie ontwikkelen na castratie, hoe zit het dan met rassen als
Boerboel, Bulldog etc? Wat als het klopt, dat veel kwalen het gevolg
kunnen zijn van een slecht werkende schildklier, die dan weer door
castratie slecht is gaan werken, terwijl die slechte schildklierwerking
niet wordt onderkend? Mammatumoren zijn een risico, volgens de meeste
onderzoekers groot. Las ergens 1 op 4 teven die niet gecastreerd zijn,
ontwikkelt mammatumoren waarvan de helft kwaadaardig is. Maar de erfelijke
relatie van het optreden van die tumoren is niet onderzocht. Ik weet
rassen waarbij een zorgwekkend aantal sterft aan Lymfklierkanker of aan
Canine auto-immune hemolytische anemie, maar geen enkele teef mammatumoren
ontwikkelde. Je goed op de hoogte stellen van hoe het in je ras zit, is
dan ook zeker verstandig bij het maken van je afweging voor wel of niet
castreren. Wat met de geconstateerde gedragsproblemen? O’Farrell (heb
helaas zelfs geen uittreksel van zijn artikel kunnen achterhalen) zegt:
Dominante teven niet castreren, dat kan tot agressie leiden. Maar wie kan
beoordelen of een pup of nog niet volwassen hond echt dominant is? U kocht
uw hond om er een werkcertificaat mee te gaan halen, maar hij blijkt
ontrainbaar, omdat hij in feite in jeugdig gedrag is blijven steken of
zijn prestatievermogen neemt af? Kortom, je moet heel wat overwegen voor
je een besluit neemt, maar als het besluit ten gunste van castratie
uitvalt, laat het dan je eigen wel overwogen besluit zijn. Bij het maken
van die overweging wil ik dan tot slot nog deze meegeven: in veel landen
en er volgen er steeds meer zijn allerlei ingrepen als couperen,
verwijderen van de losse teentjes aan de voorpoten e.d. verboden. Dat
alles, terecht, uit een oogpunt van dierenwelzijn. Is het in dat kader dan
wel juist om zonder reden een hond te castreren en hem daarmee toch een
stuk van zijn persoonlijkheid te ontnemen?
Nicolette
Meijer |