Erfelijke Ziekten      

Zoals in ieder ras, komen ook bij de Norwich terrier erfelijke ziekten voor.                                              

Bij de Norwich terrier Club hebben we echter een gezondheidscommissie die de zaken in de gaten houdt en als alle fokkers de erfelijk belastende ouders uit gaan sluiten, moeten we de erfelijke genen op een keer de baas zijn.

Er wordt samengewerkt met vele landen en USA. Sommige landen zijn echter niet open genoeg met hun gegevens, maar steeds meer wordt er de noodzaak van ingezien.

In het ras zit van oudsher Epilepsie. Epilepsie komt in heel veel rassen en zelfs bij rasloze honden voor. Deze akelige ziekte begint meestal bij de Norwich terrier  pas op de leeftijd van drie jaar. De meeste dekreuen hebben dan al een keer gedekt en de meeste fokteefjes hebben al eens jongen gehad. Je kunt met een reu niet wachten tot dat hij drie jaar of ouder is, want hij moet het dekken op jonge leeftijd leren. Dat zelfde geldt met de fokteefjes. Wacht je tot drie jaar dan kunnen er problemen tijdens de bevalling ontstaan, omdat het bekken dan te stijf is.

Zodra een reu of een teef erfelijk belast is, moet hij of zij direct uit de fok genomen worden. Het beste is dat ook de zusjes en broers uit de fok genomen worden, maar daar is ons bestand te klein voor.

Bij epilepsie heb je dragers en lijders. Dragers krijgen zelf nooit een aanval. Lijders kunnen met hun eerste jaar hun eerste aanval krijgen. Meestal gebeurt dit zo rond het derde jaar, maar het kan zelfs op 8-jarige leeftijd nog gebeuren. 

Wilt U meer lezen over epilepsie? Zie beneden

Bij de Norwich terrier komen ook ademhalingsproblemen voor. Ook hierop wordt streng gecontroleerd. Ouders met ademhalingsproblemen worden niet meer voor de fok ingezet. Deze ademhalingsproblemen ontstaan, doordat de luchtpijp is afgeplat en niet mooi rond is. Dit komt vooral voor bij Norwich terriers met een te korte snuit. Let wel: een Norwich terrier hoort een vossesnuit te hebben. Een luchtpijpafwijking is te herkennen door snel en kort ademhalen tijdens een korte wandeling of bij erg warm weer. De honden krijgen dan zuurstofgebrek. Gelukkig is het tot nu toe slechts bij een paar gevallen voorgekomen. 

Cataract komt sporadisch voor. Wilt U  meer hierover lezen, zie beneden

Wilt U uw hond laten castreren of steriliseren? Lees eerst de informatie beneden.

 


Cataract

door Bea Hekman

Wat is cataract:

Elke abnormale vertroebeling van de lens en/of lenskapsel wordt cataract of grauw staar genoemd. De afwijking wordt bij de mens en bij zeer veel diersoorten gezien.  De vertroebeling kan zich isoleren tot een klein gebied van de lens, maar kan ook betrekking hebben op de gehele structuur. Als cataract beide ogen heeft aangetast, zal dit resulteren in blindheid, terwijl kleine niet-progressieve cataract het zicht niet zal beïnvloeden.

Er zijn verschillende soorten cataract:

Congenitaal cataract:

Congenitale cataract is al aanwezig bij de geboorte van de pup. In de praktijk wordt het pas vastgesteld tussen de leeftijd van zes tot acht weken. Meestal is deze vorm van cataract niet progressief. Er kan zelfs een lichte verbetering optreden tijdens de groei, omdat de lens rond de plek nog groeit en de troebeling in verhouding tot de lensdiameter kleiner wordt. In de praktijk betekent dit dat pups die met congenitale cataract geboren worden, en geen progressieve vorm hebben, niet blind worden.

Juveniele cataract:

Deze vorm ontstaat meestal tussen het eerste en achtste levensjaar en bijna altijd in beide ogen. Bij de progressieve vorm treedt er bijna altijd totale blindheid op. Helaas breiden bijna alle vormen van cataract zich langzaam of snel uit, totdat de lens geheel ondoorzichtig is geworden.  Bij totale blindheid kan een hond licht en donker onderscheiden, maar ziet geen beelden meer.

Seniel cataract:

Dit is een vorm van cataract die vaak op latere leeftijd optreedt. Ook  wel ouderdomsstaar genoemd. Deze vorm is niet erfelijk en komt bij 80 tot 90% van het gehele hondenbestand in Nederland voor.

Secundair cataract:

Wanneer de hond andere oogafwijkingen heeft bijv. lensluxatie, retinale dysplasie en PRA dan zien we vaak ook cataract optreden. Ook bij enkele lichamelijke ziektes zoals diabetes, kan ook een vorm van cataract ontstaan. Dit noemen we diabetes-cataract. In de praktijk zien we dat honden die hieraan lijden, binnen zeer korte tijd blind zijn.

Wat zijn de verschijnselen:

In de begin fase van cataract zal men niet gauw wat merken aan de hond. De kleine witte wolkjes in het begin stadium zijn bijna niet met het blote oog te zien. Als de cataract erger wordt dan zal de eigenaar merken dat zijn hond minder ziet. De hond zal tegen dingen aan lopen of ineens stoppen tijdens het lopen. Als u twijfelt over het gezichtsvermogen van uw hond, dan is het aan te raden om naar een erkende oogspecialist te gaan. Deze kan met speciale apparatuur de ogen van uw hond goed bekijken. Ook als u een operatie overweegt is het raadzaam om op tijd een oogspecialist te raadplegen, omdat bepaald moet worden of de netvliezen in orde zijn.  Adressen kunt u elders op deze site vinden.

Erfelijkheid:

Cataract bij de hond vererft bijna altijd recessief. In een enkel geval gebeurt dit door een incompleet dominant overervend defect. Men moet wel wat kennis hebben van erfelijkheidsleer wil men begrijpen hoe deze oogafwijking vererft. Bij recessief vererven komt pas iets tot uiting, als beide ouders drager zijn van het gen. In dit geval betekent dat wanneer een hond cataract heeft, dat beide ouders minimaal drager zijn van het (cataract) gen.  Bij incomplete dominantie wordt de ziekte overgebracht door 1 dominante of recessieve erffactor, maar zorgen de overige erffactoren voor een onderdrukking. Hierdoor uit de ziekte zich dan toch weer niet of alleen in lichte mate. In het geval van cataract is deze laatste vorm van vererven zeer zeldzaam.

Behandeling:

Het verloop van cataract is niet te behandelen of te remmen met medicijnen.  Wel is een operatie mogelijk, waarbij de lens verwijderd wordt en er een kunstlens ingebracht wordt. Percentage van slagen ligt zeer hoog en de kans op complicaties is circa 10-15%. De hond kan daarna weer goed zien. Het is van het grootste belang dat de ogen van de hond bij vermoeden van cataract op tijd gecontroleerd worden. Na de operatie blijven de honden licht  gehandicapt, echter tafelpoten, traplopen en kleine sprongen leveren geen problemen meer op.

Fokkerij:

Omdat cataract recessief vererft is het vrij makkelijk om dragers op te sporen. Dit door de nakomelingen te controleren op cataract. Het advies van de Universiteit Kliniek in Utrecht is het volgende: “Honden met verschijnselen van erfelijk cataract dienen  te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook de ouderdieren kunnen beter niet meer voor de fok worden gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dit toelaat, kunnen de broertjes en zusjes ook beter niet voor de fok worden ingezet. Dit daar een sterk verhoogde kans is dat ook zij drager zullen zijn.”

Heeft men plannen om met een dier te gaan fokken, is het advies van de NTC om ouderdieren te controleren op cataract. Dit moet gebeuren door erkende oogspecialisten, aangesloten bij de stichting GGW. De kosten van dit onderzoek zijn niet hoog. Op dit moment bedragen de kosten ongeveer 28 euro. Let wel op: Dit onderzoek dient elk jaar herhaald te worden. De uitslag is dus maar een jaar geldig.

 

Castratie

 

Niet zo risicoloos.

Vijfentwintig jaar geleden nam ik een teefje op, dat ik op een morgen in mijn tuin vond. Het hondje was van zeer onbestemde herkomst, zo’n beetje elk ras leek zijn bijdrage geleverd te hebben aan het uiterlijk van dit hondje. Aangezien ik ook een reu in huis had, wilde ik absoluut geen risico lopen, dat dit teefje puppies zou krijgen. Naar de dierenarts en gevraagd dit teefje te castreren. Die zag dat helemaal niet zitten en het heeft nogal wat overredingskracht van mijn kant gekost om de man zo ver te krijgen. Hoe anders zou het vandaag de dag zijn als ik weer bij de dierenarts kwam met de vraag een teefje te castreren. Nu is het een operatie die vele dierenartsen je al ongevraagd aanbieden. Over de operatie en de risico’s ervan wordt niet gesproken, want men baseert zich op Amerikaanse ervaringen. Aardig daarbij is te zien, dat de Amerikaanse ervaringen hier zwaar mee worden gewogen, terwijl als het over het vaccineren gaat veterinair Nederland, maar waarschijnlijk zo’n beetje heel veterinair Europa, niet gehoord schijnt te hebben van de gewijzigde inzichten die daarover in Amerika bestaan.

               

 

Uitgedaagd om met wetenschappelijke bewijzen te komen, dat castratie niet zo alles zaligmakend is, ben ik op internet gaan zoeken. Daar kom je meer tegen dan je denkt, want heel veel is onderzocht, maar nadelen worden nogal makkelijk terzijde geschoven. Het gemak waarmee dat gebeurt, heeft alles te maken met een in Amerika kennelijk heel groot probleem: loslopende honden die voor overlast zorgen, binnendringen in tuinen waar loopse teven zitten, reuen die een loopse teef ontdekt hebben en de buurt met hun gehuil uit de slaap houden en zeker belangrijk: Amerikaanse asiels hebben een dusdanig overschot aan niet te plaatsen honden, dat er jaarlijks miljoenen worden ge-euthanaseerd. De cijfers verschillen, ik heb 5 miljoen gelezen, maar ook 11 en 19 miljoen. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat in Amerika geldt, dat als je een verantwoordelijke hondeneigenaar bent, je je hond laat castreren. Asiels schijnen bovendien ervaren te hebben, dat als een hond niet gecastreerd naar een nieuwe eigenaar gaat, het vaak ook niet meer gebeurt, zelfs niet als de eigenaar daartoe met de hond terug kan komen bij het asiel om de ingreep alsnog gratis te laten plaatsvinden. Derhalve zijn de asiels ertoe overgegaan om honden gecastreerd mee te geven. Maar wat als het een puppy betreft? Ook maar castreren dus en zo is de gewoonte ontstaan om puppies al met 8 weken en zelfs jonger te castreren.

 

Business

Er speelt echter nog iets anders in Amerika, namelijk het feit dat fokken business is, echt business. Rashonden worden daar soms gehouden, zoals hier een stal renpaarden. Een speciaal daartoe ingehuurde handler reist dan met de honden in een grote trailer vol met honden van een bepaald ras en van één eigenaar van show naar show. Gaan we hier in Europa met een medaille of een blikken beker met een goudkleurtje naar huis, daar in Amerika is geld te verdienen voor honden die winnen en wat te denken van de prijs van een dekking (nou ja dekking, geen enkele Amerikaanse reu dekt zelf, het gaat allemaal met kunstmatige inseminatie) van deze winnende honden.. Maar ook mensen die op kleinere, meer verantwoorde, schaal bezig zijn, willen natuurlijk graag die prijzen. Of zij brengen zelf hun honden voor op shows en verdienen bij door ook voor anderen honden te showen, ofwel ook zij huren een handler in die de honden uitbrengt op de tentoonstellingen. Deze showcultuur houdt in, dat men de allerbeste honden inzet voor de show en de mindere honden verkoopt als huishond. Op sommige rassites kan je een prijslijstje, zoals het onderstaande vinden, dat ik van de site van een Amerikaanse Cesky terriër fokker haalde:

Huishond kwaliteit                       Fokkwaliteit                Showkwaliteit

Reu                  $ 500                                       $ 800                           $ 1.000

Teef                 $ 500 – 800                              $ 800 – 1.000               $ 1.000 tot 1.500

Dat er fokkwaliteit wordt verkocht, dat wil zeggen honden die voldoen aan de rasstandaard, maar niet dusdanig van kwaliteit zijn, dat ze het op de show zullen maken, heeft, denk ik,  alles te maken met het feit, dat het ras nog niet erkend is in Amerika. Om een ras erkend te krijgen moeten er minimaal een bepaald aantal pups van geboren zijn. Binnen de Cesky terriërclub heeft men er dus belang bij nog wat mensen aan fokmateriaal te helpen. Dat zal voor reeds erkende rassen minder opgaan, dus zal een pup sneller tot huishond worden verklaard. En daar zit hem nu de kneep: koste wat kost moet voorkomen worden dat met die huishonden wordt gefokt. Dus Amerikaanse fokkers verkopen hun pups die als huishond worden geplaatst, gecastreerd. Heb in dit verband zelfs een oproep aan fokkers gelezen, die vrij vertaald op het volgende neerkwam: Fokker, u laat uw pups die als huishond naar een nieuwe eigenaar gaan toch castreren, want u wilt toch niet het risico lopen, dat ermee gefokt wordt en uw kennelnaam te grabbel wordt gegooid.

 

Na dit uitgebreide ingaan op de cultuur waarin we de Amerikaanse castratiepraktijken moeten plaatsen, over naar het wetenschappelijk onderzoek, dat is uitgevoerd naar de gevolgen van deze ingreep.

Onderzoek naar de gevolgen van castratie en ook naar die van castratie op zeer jonge leeftijd zijn wel degelijk gedaan, maar zoals gezegd, de bezwaren worden nogal makkelijk weggewuifd. De cijfermatige uitkomsten worden nogal makkelijk gemanipuleerd. Bijvoorbeeld: wat zegt het mij, dat mammatumoren, die overigens echt niet allemaal kwaadaardig zijn, 200 keer vaker voorkomen in niet-gecastreerde dan in wel gecastreerde teven als er niet bij wordt vermeld op welk aantal we dan uitkomen. Krijgt normaal gesproken één teef op 1000 mammatumoren of 1 op 100 of 1 op 10? In een ander onderzoek lees je dan weer, dat iets in 13% van de gevallen na castratie op jonge leeftijd voorkomt. Dat percentage is dan wel lager dan het percentage bij castratie op latere leeftijd, maar 13% betekent altijd nog 13 van de 100 teven! Ter onderbouwing van het feit, dat castratie niet zo ongecompliceerd is als wordt beweerd, heb ik een achttal artikelen opgevraagd, waarin verslag wordt gedaan van onderzoeken en de gevonden nadelen van castratie. Had er nog veel meer op kunnen vragen, maar voor mij hield het echt op bij 80 Canadese dollar (ca. 60 €) voor die 8 artikelen. Voor een aantal onderzoeken kan ik dus alleen weergeven wat in de uittreksels stond. Helaas bleken er van die 8 slechts 7 leverbaar. Ook zij aangetekend, dat de uitkomsten van de onderzoeken niet altijd voor reuen en teven gescheiden werden weergegeven. Voorts gebruikt men in Amerika verschillende termen: gonadectomy (= weghalen van de geslachtsklieren), ovariohysterectomy (verwijderen van baarmoeder en eierstokken), neutering (=wordt gebruikt voor castratie bij reuen, maar ik heb het ook in relatie tot teven zien gebruiken), spaying (wordt gebruikt als het om castratie van teven gaat). Voor de helderheid van dit verhaal heb ik ervoor gekozen alleen castratie te gebruiken.

.

Incontinentie

Laten we maar beginnen met incontinentie door castratie. (Association in bitches between breed, size, neutering and docking, and acquired urinary incontinence due to incompetence of the urethral sphincter mechanism door P.E Holt en M.V. Thrusfiled, Veterinary Record (1993), 133, 177-180). Het onderzoek heeft zich gericht op incontinentie veroorzaakt door het niet meer goed werken van de sluitspier, die behandelbaar was met hormonen. Het onderzoek werd verricht in Engeland en vertegenwoordigt qua rassen de gemiddelde raspopulatie in Engeland. Lees je de uitkomsten, dan valt het aantal teven dat incontinentie kreeg best mee. Echter, de onderzoekers komen toch tot de conclusie, dat grote en reuzen rassen meer gevoelig zijn voor het ontwikkelen van incontinentie, dan middel grote en kleine rassen. Bovendien vonden de onderzoekers een relatie tussen het couperen van de staart in combinatie met castreren en het ontwikkelen van incontinentie. Toch willen de onderzoekers niet zonder meer stellen, dat couperen en het ontwikkelen van incontinentie een relatie met elkaar hebben, omdat de ontwikkeling van de incontinentie in de aanleg van het ras, waarvan couperen van de staart gebruikelijk is, aanwezig kan zijn. De rassen bij wie een verhoogd risico op incontinentie werd gevonden zijn: Dobermann, Bobtail, Springer Spaniel, Weimaraner, langharige Collies, Ierse setter, maar andere onderzoeken noemen ook de Boxer (65%) en de Bouvier. Rassen die weer zo goed als ongevoelig lijken te zijn voor het ontwikkelen van incontinentie na castratie zijn onder meer de Duitse herder en de Labrador. Daarbij moeten we in ogenschouw nemen, dat er meer dan 400 hondenrassen zijn en het dus onmogelijk is, dat al deze rassen zijn onderzocht. Of je hond dus incontinent wordt na castratie blijft gokken, maar wie op internet de plaatjes ziet van een incontinente teef zal niet licht geneigd zijn, zijn hond aan dat risico bloot te stellen. De eerlijkheid gebiedt dan weer te zeggen, dat deze vorm van incontinentie met hormoontoediening meestal succesvol bestreden kan worden. Maar is er al onderzoek gedaan naar de invloed van die hormonen op de lange termijn?

 

Schildklier

Over problemen met de schildklier las ik Hypothyroidism in dogs: 66 cases (1987 – 1992) door David L. Panciera, DVM, MS. Zij komen tot de conclusie dat gecastreerde teven en reuen een relatief verhoogd risico hebben op schildklierproblemen. Extra gevoelig hiervoor bleken de Dobermann Pincher en de Golden Retriever en rasloze honden. Schildklierproblemen geven overgewicht, sloomheid, kaalheid. De genoemde abnormaliteiten in de voortplanting kunnen we in het kader van dit verhaal buiten beschouwing laten. Volgens de onderzoekers zijn er ook, minder vaak gerapporteerde, problemen met het zenuwsysteem, het hart/vaatstelsel, het maag/darmsysteem en andere organen. Echter met deze laatste problemen moeten we voorzichtig zijn, omdat de diagnose dat de schildklier de oorzaak ervan was, niet op basis van het T4-onderzoek werd gedaan. Het onderzoek omvatte 132 honden, waarvan er 66 overbleven die aan de door de onderzoekers gestelde criteria voldeden. Daarvan waren 18 gecastreerde reuen en 30 gecastreerde teven. Zelfs na correctie voor leeftijd, bleek het risico van schildklierproblemen bij gecastreerde reuen en teven duidelijk hoger. De symptomen die werden gevonden als gevolg van de schildklierproblemen waren huidproblemen bij 39 honden, éénendertig honden hadden last van overgewicht, zij het vaak in milde vorm. Sloomheid werd geconstateerd bij 13 honden. Te lage hartslag werd gevonden in 32 honden (9 met een hartslag lager dan 70 slagen per minuut en 23 met een hartslag van minder dan 80 slagen per minuut). Verder vonden de onderzoekers een grote variëteit van problemen waarvan niet zeker is, dat ze met schildklierproblemen te maken hebben en sommige van de verschijnselen bleken uiteindelijk aan iets anders toe te schrijven. De onderzoekers sluiten echter niet uit dat een aantal van de gevonden problemen toch aan de schildklierproblemen zijn toe te schrijven, gezien het feit dat bij behandeling van de schildklier met medicijnen ook de andere klachten vaak afnamen. Drieënzestig honden werden behandeld met medicijnen voor de problemen, waarvan er 34 op de behandeling reageerden, waarvan 26 goed. Waarom gecastreerde teven een hoger risico hebben op schildklierproblemen is niet duidelijk. Alleen bij ratten is eenzelfde effect gevonden. De onderzoekers komen ook tot de conclusie dat veel honden bij wie schildklierproblemen werden geconstateerd in eerste instantie voor andere klachten werden behandeld. Dat kan dus betekenen dat in de praktijk erg veel honden worden behandeld voor een kwaal die zich manifesteert, maar de achterliggende oorzaak, namelijk de schildklier, onontdekt en onbehandeld blijft.

 

Effect op het skelet

Katherine R. Salmeri, DVM, Mark S. Bllomberg, DVM, MS, Sherry L. Scruggs, BS, Victor Shille, DVM, PhD publiceerden “Gonadectomy in immature dogs: Effects on skeletal, physical, and behavioural development’. Het onderzoek liep 15 maanden, in mijn ogen erg kort om de lange termijneffecten te kunnen traceren van een castratie op jonge leeftijd. Het onderzoek werd alleen verricht bij niet-rashonden en wel als volgt: 32 puppies uit 5 nesten werden opgedeeld in 3 groepen. Groep 1 werd met 7 weken gecastreerd, Groep 2 met 7 maanden en Groep III werd in takt gelaten. Bij zowel groep 1 als groep 2 sloten de groeischijven later dan bij groep 3. De snelheid van de groei werd door de ingreep niet beïnvloed, maar de tijd dat de gecastreerde honden groeiden was langer en resulteerde in langere beenderen en een hond die groter was dan zijn niet geholpen leeftijdsgenoten. Een bezwaar overigens waarover in een Amerikaans pleidooi voor vroege castratie erg luchtig werd gedaan: “U showt uw hond toch niet, dus wat doet het er toe als uw hond een paar centimeter groter is dan de rasstandaard.’ Nu ligt dat in Nederland en ik veronderstel ook in andere Europese landen een beetje anders. Verstandige fokkers verkopen elke hond als huishond, omdat het voorspellen van de showkwaliteit van een hond niet alleen erg moeilijk is, maar een showhond moet ook worden opgeleid. Doet de eigenaar dat laatste niet, dan zal de hond, hoe mooi ook, niet hoog scoren op hondententoonstellingen. Soms ook willen eigenaren niet showen met de hond, maar worden er door iemand toe overgehaald en zo komt iemand alsnog in het showcircuit. Het is dan niet alleen vervelend als je hond is gecastreerd, want dan mag hij niet worden uitgebracht, hetgeen dan bij de eigenaar tot teleurstelling achteraf leidt. Teven die gecastreerd zijn mogen evenmin worden geshowd, maar dat is aan de buitenkant niet te zien, dus er worden wel degelijk gecastreerde teven uitgebracht op shows. Toch vervelend als je teef dan een paar centimeter boven de in de rasstandaard toegestane maat blijkt te zitten. Wederom voor Amerika niet zo’n probleem, want daar zijn speciale klassen voor gecastreerde honden. Dit onderzoek heeft zich niet gericht op wat de gevolgen van het ontbreken van sekshormonen zijn op de botten. Dat er structuurverandering in het bot (onder andere meer kraakbeencellen in de groeischijf zone) plaatsvindt, is wel duidelijk, maar wat dat tot gevolg heeft, is niet onderzocht, dan wel bekend. Het vermoeden bestaat echter, dat het deze honden vatbaarder maakt voor bepaalde botbreuken. Daarnaast wordt aangegeven dat door het tekort aan sekshormonen, meer specifiek oestrogeen, wel degelijk osteoporose kan optreden.

Het onderzoek onderzocht eveneens of de gecastreerde honden dikker werden, maar vond daarvoor niet echt bewijzen, maar het sluit het ontwikkelen van meer onderhuidsvet niet uit, omdat studies met ratten deze uitkomst na castratie wel gaven.

Met betrekking tot het karakter wordt geconstateerd, dat de gecastreerde honden actiever waren en dat de als pup reeds gecastreerde honden meer opgewonden waren. Het zijn juist deze karakterveranderingen die Duitse trainers van werkhonden zeer huiverig hebben gemaakt van vroege castratie, omdat het trainen veel moeilijker gaat en in sommige gevallen zelfs onmogelijk blijkt. In één nest ontwikkelden 4 van de 7 puppies zware gedragsproblemen onafhankelijk van het wel of niet gecastreerd zijn, hetgeen erop kan wijzen dat het hier om een erfelijk probleem ging. Drie wel geholpen puppies uit dit nest werden geplaatst, maar liepen binnen 4 weken weg. De oorzaak daarvan is niet bekend.

Het meest duidelijke resultaat van het reeds castreren van puppies was het niet tot ontwikkeling komen van de penis en de vulva. Die bleven in een infantiel stadium, maar gaven in de onderzochte groep geen problemen. Waarbij ik dan de vraag stel: kwam dat soms, omdat de hondjes extra aandacht en verzorging kregen, zodat er geen ontstekingen rondom de vulva ontstonden?

De eindconclusie van de onderzoekers is, dat er veel meer en langduriger onderzoek nodig is om meer te weten te komen over de gevolgen van het castreren van puppies.

 

Zwervend baarmoederweefsel

Melissa S. Wallace, DVM is de auteur van ‘The Ovarian Remnant Syndrome in the Bitch and Queen’. Zij constateert, dat het zowel in honden, als in katten, voorkomt, dat er nog een cyclus optreedt, alhoewel castratie heeft plaats gehad. Deze cyclus gaat gepaard met bloedingen, zwelling van de vulva, attractief voor reuen, het doen van meer plasjes en het staan voor de reu. Sommige van deze teven laten zich zelfs dekken. De oorzaak van deze verschijnselen is, dat er eierstokweefsel aanwezig is op andere plaatsen dan normaal gesproken te verwachten zou zijn. Ook kan de oorzaak zijn gelegen in het feit, dat net niet al het eierstokweefsel is weggenomen. Eierstokweefsel op andere plaatsen kan ontstaan, omdat er tijdens de operatie een stukje eierstok wordt gemorst, dat zich dan op een andere plaats in het lichaam weer ontwikkelt. Wel constateert de onderzoekster, dat het fenomeen zich vaker voordoet in katten dan in honden. Maar treedt dit verschijnsel op in een gecastreerde teef, dan is een nieuwe operatie nodig om het weefsel dat het probleem veroorzaakt weg te nemen. Vooraf moet dan wel vastgesteld worden of er inderdaad eierstokweefsel aanwezig is. Een andere mogelijkheid is een behandeling met hormonen, maar die kunnen weer vervelende bijwerking geven.

 

Nogmaals gevolgen van vroege castratie

‘Long-term outcome of gonadectomy performed at an early age or traditional age in dogs’ is de titel waaronder Lisa M. Howe, DVM, PhD, DACVS, Margaret R. Slater, DVM, PhD, Harry W. Boothe, DVM, MS, DACVS, H. Phil Hobson, DVM< MS< DACVS, Jennifer L. Holcolm, BS and Angela C. Spann, BS hun onderzoek publiceerden. Het onderzoek werd verricht in 2 verschillende asiels, waarbij geldt, dat een normale castratie leeftijd in dit onderzoek circa 24 weken en ouder is en een vroege castratie onder de 24 weken wordt verricht. Tussen 41 en 64 maanden na de castratie werden de eigenaren van de honden opgebeld en hen werd een gestandaardiseerde vragenlijst voorgelegd. Uiteindelijk kwam informatie beschikbaar over 269 honden, dat wil zeggen over 42% van de honden die een castratie hadden ondergaan. Alle honden werden, voor zo ver mogelijk, 48 maanden na de operatie gevolgd. De onderzoekers vonden het volgende: 5% kreeg parvo, 4% kreeg infectieziekten aan de luchtwegen. De vroeg gecastreerde honden kregen echter meer infectieziekten dan de later gecastreerde honden, waarbij het dan om parvo ging. De meest gerapporteerde problemen waren gedragsproblemen, waarbij ook weer de jong gecastreerde honden hoger scoorden dan, de later gecastreerden, respectievelijk 38% en 32%. Het hoogst bij de gedragsproblemen scoorden agressie en vernielzucht. Verder werden genoemd: onderdanigsheidsplasjes, zindelijkheidsproblemen. Voorts nog een variëteit aan problemen, zoals erg veel blaffen, graven, scheidingsangst, springen en niet met andere dieren overweg kunnen.Bij al de laatst genoemde problemen, konden de onderzoekers geen onderscheid in vroege en late castratie ontdekken. Bij 30% van de honden werden huidproblemen gerapporteerd, waarbij huidallergieën en dermatitis het meest voorkwamen. Verschil tussen de vroeg en laat gecastreerde honden werd niet gevonden. Spier- en skeletproblemen vertoonde 8% van de honden, waaronder lichte heupdysplasie, verlamming, en allerlei andere niet nader genoemde problemen. Ook hier geen onderscheid geconstateerd in vroege of late castratie. Maagdarmproblemen kwam voor in 5% van de honden, waarbij de vroeg gecastreerde meer problemen hadden. Incontinentie werd maar in 2% van de betrokken honden gevonden. Neurologische en hartproblemen werd maar in een paar procent van de honden aangetroffen.Volgens de onderzoekers zijn de meeste van de gerapporteerde huid-, spier- en skeletproblemen, heupdysplasie etc. niet anders dan wat een dierenarts in zijn normale praktijk van alle dag ziet.

 

Dementie

Negenentwintig ongecastreerde reuen, 63 gecastreerde teven en 47 gecastreerde reuen in de leeftijd van 11 tot 14 jaar werden in het kader van het ontwikkelen van dementie onderzocht door Benjamin L. Hart, DBM, PhD, DACVB. Hij rapporteert over zijn onderzoek in “Effect of gonadectomy on subsequent development of age-related cognitive impairment.’ Gedragsproblemen bij oudere honden die met dementie te maken hebben worden door Hart onderverdeeld in 4 categorieën: problemen met deoriëntatie in huis en in de tuin, verandering in de sociale interactie met de menselijke huisgenoten, onzindelijkheid en veranderingen in de slaap/waak cyclus. De onderzoeker heeft niet onderzocht of gecastreerde honden ook eerder dement werden, omdat daarvoor een enorm aantal honden nodig geweest zou zijn. Daarom werd onderzocht of er een duidelijk verschil was in de ontwikkeling van lichte dementie naar zware dementie in een periode van 6 tot 18 maanden. Van het onderzoek werden honden uitgesloten die ziekten hadden die ook tot dementie-verschijnselen konden leiden. Middels interviews met de eigenaren door gedragsdeskundigen werden de eigenaren van de honden twee keer ondervraagd. Bij het tweede interview waren van de 29 complete reuen nog 20 in leven, van de gecastreerde reuen waren er nog 29 van de 47 in leven en van de gecastreerde teven nog nog 34 van de 63. De gemiddelde leeftijd waarop de teven waren gecastreerd was 2,8 jaar en bij de reuen was dat 4,8 jaar. Bij het eerste interview vertoonden 41 van de gecastreerde teven geen tekenen van dementie, 4 vertoonden tekenen in 1 categorie, en 18 in 2 categorieën. Bij de gecastreerde reuen hadden 32 geen tekenen van dementie, 9 in 1 categorie en 6 in 2 categorieën. Negentien van de 29 in takte reuen had geen dementie, 6 in 1 categorie en 4 in 2 categorieën.

Bij het tweede interview had tussen 27 tot 41% van alle honden dementie in 1 categorie en circa 10% in 2 categorieën.

De gecastreerde teven vertoonden het volgende beeld bij het 2e interview: 9 van de 18 teven die bij het 1e interview dementie had in 1 categorie, had nu dementie in 2 categorieën. Van de 9 de gecastreerde reuen met dementie in 1 categorie, hadden er 4 dementie in 2 categorieën bij het 2e interview. Bij het 2e interview had geen enkele intakte reu die bij het 1e interview dementie in 1 categorie had, het nu in 2 categorieën. De gecastreerde reuen en teven die van dementie in 1 categorie naar dementie in 2 categorieën waren gegaan bij het 2e interview waren qua percentage ongeveer gelijk. Deze percentages waren duidelijk hoger dan die van de intakte reuen. Verschillen die niet te verklaren zijn uit verschil in leeftijd of de tijd die tussen het eerste en tweede interview heeft gezeten.

 

Gedragsverandering

Het kostte wat zoeken, maar uiteindelijk kon ik van de Universitätsbibliothek München het laatste exemplaar krijgen van het promotie-onderzoek van Eva Heidenberger “Untersuchungen zu Verhaltensänderungen von Rüden und Hündinnen nach Kastration”(1989). Dit werkje vangt aan met een uitgebreide samenvatting van alle geraadpleegde literatuur met betrekking tot voeding, gedrag en castratie en de gevolgen daarvan. In de door Heidenberger geraadpleegde literatuur over castratie en de gevolgen daarvan blijkt duidelijk, dat meerdere onderzoekers vonden, dat gecastreerde honden incontinentie ontwikkelden, gewichtstoename plaatsvond, huid- en haar veranderden, dat vaker suikerziekte werd ontwikkeld, dat er nog loopsheden waren indien er eierstokweefsel op andere plaatsen in het lichaam was, dat er luiheid en verlaagde activiteit optreedt, dat er minder wordt gepresteerd door de hond en dat gecastreerde teven vaak agressief zijn.

Het onderzoek van Heidenberger is gebaseerd op een vragenlijst die aan hondenbezitters werden voorgelegd. Al deze honden, 209 reuen en 382 teven, waren gecastreerd. In het onderzoek waren 83 verschillende rassen en een behoorlijk aantal kruisingen betrokken. Aangezien het hier een onderzoek naar veranderd gedrag na castratie betrof, is Heidenberger zeer diep gegaan. Zo heeft zij verbanden gezocht tussen leeftijd waarop de hond bij de baas kwam en de gedragsverandering na castratie, tussen herkomst van de hond: direct van de fokker, uit een asiel of één of meer eerdere eigenaren. Zij bekeek tevens de gezinssamenstelling van de eigenaren, de manier waarop er met honden werd omgegaan, of er meer dan één hond in het gezin was, hoe lang de hond per dag alleen was. Uit de onderzoeksresultaten blijken dan toch verschillen in de uitkomst van de gedragsverandering na castratie en die uitkomsten zijn soms erg verrassend. Zo worden bijvoorbeeld honden die in een kennel worden gehouden na castratie minder agressief, maar angstgedrag en nerveusiteit nemen toe. Teven die een tuin ter beschikking hebben worden na castratie trager. Gedragsveranderingen na castratie zijn duidelijker als de hond de hele dag of minimaal 9 uur per dag in de nabijheid van de baas is. Maar dat geldt dan ook voor meer eten en dikker worden. Teven die dagelijks 7 uur of meer alleen zijn worden minder agressief en traag als teven die slechts korte tijd per dag alleen zijn. Maar blaffen en keffen neemt bij die groep weer toe. Aangezien de hele dissertatie bijna 200 pagina’s A-5 is, voert het te ver om alles hier te noemen, want werkelijk alles wat er te bedenken valt wat invloed op het gedrag kan hebben, is wel onderzocht.  Daarom nu naar de duidelijkste uitkomsten: meer eten bij 20% van de reuen en 18% van de teven en heel duidelijk meer eten bij 22% van de reuen en 14% van de teven. Gewichtstoename bij 44% van de reuen en 34% van de teven. 36% van de reuen neemt meer rustijd en 18% van de teven, 22% van de reuen heeft minder behoefte aan beweging, bij de teven is dat 13%. Gedragsproblemen verminderden bij 41% van de reuen en bij 33% van de teven, bij 33% van de reuen en bij 25% van de teven verdwenen ze geheel. Negenenveertig van 80 agressieve reuen en 25 van 47 teven werden na castratie minder vriendelijker. Tien teven werden echter na castratie agressief. Heidenberger benadrukt nog eens, dat heel veel factoren het resultaat van een castratie uiteindelijk beïnvloeden: goede gehoorzaamheidstraining, familieomstandigheden van de bezitter, de factor tijd, de wijze waarop de hond wordt gehouden, contacten met soortgenoten en de herkomst van de gecastreerde honden.

Een gegeven dat we uit dit onderzoek zeker niet over het hoofd mogen zien, is de aangegeven toename van ziektes. Van de ondervraagde hondenbezitters geeft 15,9% aan (reu of teef is hierbij geen verschil), dat de hond behoorlijk ziek is. Echter, bij de reuen die om medische redenen werden gecastreerd en daarna ziek zijn, is het aantal opvallend hoog. Bij de teven is het aantal dieren dat ziek is na castratie als ze daarvoor al voor een ziekte werden behandeld zeer duidelijk verhoogd. Meest gevonden ziekten zijn, naast incontinentie, ziekten aan het spijsverteringsstelsel en het bewgingsapparaat. Teven kregen in 4,7% van de gevallen ziekten aan de nieren en de urinewegen. Reuen kregen vaker ziekten aan het spijsverteringsstelsel en aan hart, bloedsomloop en zenuwstelsel.

 

Tot slot de onderzoeken, waarvan ik alleen een uittreksel beschikbaar het:

The relationship of urinary incontinence to early spaying bitches (Stocklin-Gautschi NM, Hassig M, Reichler IM, Hubler M, Arnold S):

Teven gecastreerd voor hun eerste loopsheid: op de leeftijd van 6,5 jaar had 9,7% van 206 teven, allen gecastreerd op een gemiddelde leeftijd van 7,1 maand, incontinentie, 12,5% van de teven met een gewicht van meer dan 20 kg had last van incontinentie, 5,1% van teven met een gewicht onder 20 kg had incontinentie. Alleen het weghalen van de eierstokken of het wegnemen van eierstokken en baarmoeder had geen invloed op de cijfers. Gemiddeld trad de incontinentie 2 jaar en 10 maanden na castratie op. Vergeleken met late castratie zijn de clinische tekenen van incontinentie duidelijker na vroege castratie.

 

Urinary incontinence in castrated bitches. Part 1: Significance, clinical aspects and etipathogenesis, (Arnold S)

Incontinentie treedt op in 20% van de gecastreerde honden. Er is duidelijk verband tussen gewicht en het risico op incontinentie. Teven boven 20 kg hebben een risico van 30%, teven met een lager gewicht van 10%. Vooral bepaalde rassen zijn extra gevoelig, bij boxers ontwikkelt zich bij 65% incontinentie. Andere rassen die worden genoemd zijn Dobermans en Riezen Schnauzers.

 

Early spay-neuter: clinical considerations (Kustritz MV)

Gesteld wordt, dat puppies een verlengde reactie op relatief lage doses narcosemiddelen kunnen hebben. Puppies mogen voor een operatie niet langer dan 3 tot 4 uur vasten, gezien het risico van te lage bloedsuiker spiegel. Opgepast moet worden voor onder-temperatuur en hartslag en ademhaling moeten zorgvuldig in de gaten worden gehouden gedurende de hele operatie.

 

Aanvullende informatie over risico’s van vroege castratie bij Dalmatiner reuen vond ik op: http://bcf.usc.edu/~thaae/DOT/earlyneuter.htm. Dalmatiërs schijnen nogal eens blaasstenen te ontwikkelen. Doordat de penis zich bij vroege castratie niet tot een volwassen maat ontwikkelt, is er een verhoogd risico dat een losgekomen steen blijft zitten. De urine die daardoor niet weg kan, leidt binnen enkele dagen tot de dood.

http://www.frenchbulldogclub.org/Health Genetics/EarlySpayNeuter.hmtl waarschuwt voor het gevaar van intuberen bij Franse Bulldog puppies, omdat deze hondjes zeer smalle luchtwegen hebben en het weefsel van die luchtwegen erg teer is en gemakkelijk kan beschadigen.

 

Afrondend

Wie gaat zoeken op het internet vindt enorm veel pleidooien voor castratie en liefst op zo jong mogelijke leeftijd. Vooral uit Amerikaanse hoek in verband met, zoals eerder gezegd, de enorme problemen die de asiels daar hebben met een overschot aan honden. Daarom vindt men bij hen ook statements als: Uw hond krijgt nooit mammatumoren, uw hond is 2x per jaar 3 weken loops (wordt niet bij vermeld dat de feitelijke vruchtbare periode veel korter is) daar bent u ook vanaf, u heeft als fokker de plicht te voorkomen dat er met huishonden wordt gefokt. Wetenschappelijk onderzoek is moeilijker te vinden, maar zoals hierboven aangetoond is het er. Echter, de aantallen honden betrokken bij de onderzoeken, de onderzochte rassen, het is natuurlijk allemaal veel te weinig om echt harde conclusies te trekken, ook de meeste onderzoekers geven dat zelf toe. Je hond wel of niet laten castreren blijft dus een eigen afweging. De handvaten voor die afweging zijn te vinden in wat hiervoor beschreven is. Want wat als boxers voor 65% incontinentie ontwikkelen na castratie, hoe zit het dan met rassen als Boerboel, Bulldog etc? Wat als het klopt, dat veel kwalen het gevolg kunnen zijn van een slecht werkende schildklier, die dan weer door castratie slecht is gaan werken, terwijl die slechte schildklierwerking niet wordt onderkend? Mammatumoren zijn een risico, volgens de meeste onderzoekers groot. Las ergens 1 op 4 teven die niet gecastreerd zijn, ontwikkelt mammatumoren waarvan de helft kwaadaardig is. Maar de erfelijke relatie van het optreden van die tumoren is niet onderzocht. Ik weet rassen waarbij een zorgwekkend aantal sterft aan Lymfklierkanker of aan Canine auto-immune hemolytische anemie, maar geen enkele teef mammatumoren ontwikkelde. Je goed op de hoogte stellen van hoe het in je ras zit, is dan ook zeker verstandig bij het maken van je afweging voor wel of niet castreren. Wat met de geconstateerde gedragsproblemen? O’Farrell (heb helaas zelfs geen uittreksel van zijn artikel kunnen achterhalen) zegt: Dominante teven niet castreren, dat kan tot agressie leiden. Maar wie kan beoordelen of een pup of nog niet volwassen hond echt dominant is? U kocht uw hond om er een werkcertificaat mee te gaan halen, maar hij blijkt ontrainbaar, omdat hij in feite in jeugdig gedrag is blijven steken of zijn prestatievermogen neemt af? Kortom, je moet heel wat overwegen voor je een besluit neemt, maar als het besluit ten gunste van castratie uitvalt, laat het dan je eigen wel overwogen besluit zijn. Bij het maken van die overweging wil ik dan tot slot nog deze meegeven: in veel landen en er volgen er steeds meer zijn allerlei ingrepen als couperen, verwijderen van de losse teentjes aan de voorpoten e.d. verboden. Dat alles, terecht, uit een oogpunt van dierenwelzijn. Is het in dat kader dan wel juist om zonder reden een hond te castreren en hem daarmee toch een stuk van zijn persoonlijkheid te ontnemen?

 

Nicolette Meijer

 

Epilepsie  

Mevrouw Z gaat met haar Norwich die lijdt aan Cramp naar een homeopaat. Deze homeopaat geeft de hond Silicium (kiezelzuur). De aanvallen blijven na al een half jaar langer uit en zijn veel minder heftig. Deze homeopaat zit in Almelo maar gaat binnenkort verhuizen naar Lochem. 
Epilepsie is het herhaald optreden van toevallen. Epilepsie komt bij mensen, honden en sporadisch bij katten voor. Een toeval is een kortdurende storing in het functioneren van de hersenen, die zich uit in abnormaal gedrag. Hersencellen wekken elektrische signalen op, geven ze door en ontvangen signalen van andere cellen. Deze signalen worden in goede banen geleid en te sterke signalen worden afgezwakt.
Bij een toeval is er sprake van een kortdurend, sterk, elektrisch signaal, dat in staat is zich over de hersenen te verspreiden, omdat het onvoldoende wordt afgezwakt. de storing in de hersenactiviteit kan verschillende oorzaken hebben. Er kan een afwijking in de hersenen zijn. Maar ook een afwijking buiten de hersenen is mogelijk, zoals een stofwisselingsziekte. Vaak is er echter geen duidelijke oorzaak te vinden voor het optreden van de toevallen. Bij epilepsie treden de toevallen bij herhaling en in zekere regelmaat op. De tijdsduur tussen toevallen verschilt per hond, maar ligt meestal tussen de 2 en 6 weken.
Soorten epilepsie
Bij epilepsie kan onderscheid worden gemaakt in oorzaak en vorm.                    

Oorzaak:
Zonder aanwijsbare oorzaak  -   echte of primaire epilepsie.
Met aanwijsbare oorzaak       -   secundaire epilepsie.
Bij secundaire epilepsie is het eerste doel van de behandeling de oorzaak van de aanvallen weg te nemen. Maar jammer genoeg is de oorzaak vaak niet duidelijk vast te stellen. 

Vorm
1. Partiële epilepsie. Bij de gedeeltelijke epilepsie vertoont het dier gedragsafwijkingen, zoals vliegenhappen en achter de staart aanrennen. Hierbij treedt geen bewusteloosheid op, omdat in dit geval de elektrische prikkel zich slechts over een beperkt deel van de hersenen verspreidt.
2. Gegeneraliseerde epilepsie
Hierbij wordt de elektrische prikkel over de hele hersenen verspreid. Bij een dergelijke aanval zal de hond omvallen. Er doen zich bewustzijnsstoornissen voor, gevold door krampen van het hele lichaam. Deze vorm komt bij dieren het meest voor.
3. Atypische epilepsie
Hierbij is sprake van een vorm van epilepsie die niet is in te delen onder 1 of 2.

Voorkomen
Primaire epilepsie komt regelmatig voor bij honden, zowel bij rashonden als bij kruisingen. Bij bepaalde rassen komt het vaker voor. Het vermoeden bestaat dat primaire epilepsie erfelijk is. Epilepsie wordt evenveel bij teven als bij reuen gezien. Wel krijgen teven tijdens de loopsheid meer aanvallen. Bij primaire epilepsie vinden de eerste aanvallen plaats tussen een leeftijd van 1/2 en 5 jaar. Het kan bij een eenmalige aanval blijven. Vaak echter wordt een eerste aanval na enige tijd (soms maanden) gevolgd door een tweede aanval. Opvallend is dat de periode tussen aanvallen in de loop van de tijd korter wordt en vervolgens min of meer constant wordt (met een gemiddelde tijd tussen aanvallen van 2-6 weken). Bij primaire epilepsie is de hond tussen twee aanvallen normaal. Meestal is er geen bepaalde aanleiding voor een aanval aan te wijzen. Opvallend is dat aanvallen brijwel altijd in huis, in de vertrouwde omgeving plaatsvinden. Aanvallen treden vooral op tijdens een periode van rust (avond, nacht,  ochtend). Opwinding of inspanning hebben er niets mee te maken.

Secundaire epilepsie
Secundaire epilepsie begint meestal op een andere leeftijd dan primaire. Dit komt omdat de oorzaak vaak aangeboren is of op latere leeftijd is verkregen. Ook secundaire epilepsie kan bij bepaalde rassen vaker voorkomen (aangeboren, erfelijk, afwijking). Bij secundaire epilepsie zal er vaak een verband zijn tussen het optreden van een aanval en voeding, inspanning en/of opwinding. Bovendien zal het dier in periodes tussen aanvallen afwijkend gedrag laten zien.

Hoe ziet een aanval eruit?
De aura of inleiding tot een aanval. Tijdens een periode voor de aanval vertoont het dier afwijkend gedrag. Het is onrustig, aanhalig, heeft een rare blik in de ogen, het dier wil naar buityen (of juist naar binnen) en is anders dan normaal deze inleidende fase kan enkele minuten tot enkele dagen duren.

De ictus of de eigenlijke aanval.
deze begint met h et verlies van bewustzijn en het omvallen van het dier. Vervolgens treed een soort verstijving op door langdurige krampen van poten en lichaam, gevolgd door ontspanning met kortdurende krampen en komt het dier weer bij bewustzijn. de totale duur van de ictus bedraagt meestal maar enkele minuten hoewel dat heel lang kan lijken, Tijdens de ictus kan het dier urine en ontlasting verliezen, dis is niet afhankelijk van de ernst van de aanval. Een tongbeet zoals bij mensen voorkomt, komt bij honden niet voor.

De post-ictale fase of de periode na de aanval
Na het bijkomen en overeind krabbelen zijn de meeste honden de "kluts" kwijt. Verder kunnen ze geheugenverlies vertonen, slecht zien, moeite hebben met bewegen en hongerig en dorstig zijn. De post-ictale fase kan enkele seconden tot enkele dagen duren. Tijdens de post-ictale periode dient de hond voorzichtig te worden benaderd. Het dier weet immers soms niet waar het is, wie de eigenaar is en lijkt blind. Een onverhoedse benadering zou dus tot een schrikreactie kunnen leiden en mogelijk tot onbedoelde agressie".

Verder zijn er nog de kortdurende aanvallen met schokkende bewegingen van de kop, zonder verlies van bewustzijn.

Aanvallen waarbij een dier zich afwijkend gedraagt: onrustig, overdreven actief, wild rondrennen, naar binnen of juist naar buiten willen gaan, zonder dat krampaanvallen optreden.

Clustering: Hierbij is sprake van series aanvallen op één dag, die niet worden onderbroken door een herkenbare post-ictale periode.

Status epilepticus: Dit is een aanval die langer dan enkele minuten aanhoudt, bijvoorbeeld een kwartier of nog langer.

Wat toe doen bij een aanval?
Doe zo weinig mogelijk. U kunt de aanval als die eenmaal begonnen is niet stoppen. Probeer vooral rustig te blijven en raar niet in paniek. Het enige zinvolle dat u kunt doen, is ervoor te zorgen dat de h ond zich niet verwondt. Geef geen medicijnen tijdens een aanval evenmin iets te drinken. Houd de hond niet vast, maar laat hem vrij in zijn bewegingen.

Zorg ervoor dat de naam van de medicamenten in het paspoort van uw hond staan. Meld voor een operatie altijd dat uw dierenarts epilepsie heeft. Houdt een dagboek bij.

Voorzichtig met:
* Conserveringsmiddelen. Vooral BHA, BHT en ethoxyquin zijn veroorzakers van epileptische aanvallen.
* Vlooienbestrijdingsmiddelen. Tot nu toe is Advantage druppels het veiligste middel gebleken bij honden met
   epilepsie.
* Vaccinaties. Vooral het vaccin tegen hondenziekte (Distemper) blijkt veelal epileptische aanvallen te kunnen
   veroorzaken. Overleg met uw dierenarts voor een eventuele driejaarlijkse cocktail enting en een jaarlijkse
    parvo/weil enting.
* shampoos

MEDICIJNEN
Als uw hond meer dan één aanval per maand heeft, is het zinvol, zo niet noodzakelijk, te proberen met medicijnen de aanvallen te onderdrukken. Het is echter niet zo dat de aanvallen dan volledig zullen verdwijnen, maar
zij zullen tenminste in ernst afnemen en met langere tussenpozen optreden.

De meest voorgeschreven medicijnen zijn:

  • Fenobarbital - dit is een medicament uit de barbituraten groep en heeft een aantal vervelende bijwerkingen, zoals sufheid, veel plassen, veel drinken, en soms veel eten. Deze bijwerkingen verdwijnen echter na een tijdje.
  • Epitard - een medicament uit de hydantoinederivaten groep. Dit is een vrij nieuw middel en bevat voornamelijk phenytoïne in een vorm die langzaam in het lichaam vrij komt, het zogenaamde slow-release. Het wordt meestal voorgeschreven aan honden die niet goed op de gebruikelijke behandeling reageren. Ook dit medicijn heeft een aantal bijwerkingen, waaronder overgeven, diarree en gewichtsverlies. Ook deze bijwerkingen verdwijnen na een korte periode

 

HOME